Wormen en ontwormings advies - D.A.P NOORD WEST FRIESLAND
612
page-template-default,page,page-id-612,page-child,parent-pageid-610,qode-quick-links-1.0,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-title-hidden,qode_grid_1300,footer_responsive_adv,qode-theme-ver-11.1,qode-theme-bridge,wpb-js-composer js-comp-ver-5.1.1,vc_responsive

Ziekteverschijnselen

  • Slechte conditie en ruige vacht met (te) lang haar en een trage verharing
  • Vermagering
  • Verminderde eetlust of juist vermeerderde eetlust
  • Koliek (heftige buikpijnen)
  • Bloedarmoede (geeft bleke slijmvliezen)
  • Diarree of soms juist verstopping
  • Gestoorde en vertraagde groei

Infectieroute

Eieren van maagdarmwormen komen voor in de omgeving van ieder paard. Het paard neemt wormeieren op met de voeding. De eitjes of de larven die opgenomen zijn ontwikkelen zich in of al buiten het lichaam tot een volwassen worm die zich in de maag of de darmen bevindt. Dit geeft aanleiding tot de uitscheiding van miljoenen eitjes met de mest die op hun beurt de omgeving besmetten.

Soorten wormen

Het paard kan besmet worden door een groot aantal wormen. De ernst en het soort van de besmetting hangt af van de leeftijd van de paarden en de manier waarop ze gehouden worden.

  • Kleine strongyliden (b.v. Cyathostominae spp. = bloedworm), larven hiervan kunnen inkapselen in het slijmvlies van de dikke darm, deze worm is het meest resistent aan verschillende wormmiddelen.
  • Grote strongyliden (b.v. Strongylus vulgaris), zijn tegenwoordig niet meer echt belangrijk omdat ze een langzame cyclus hebben en goed gevoelig zijn aan ivermectine. Ze kunnen een zogenaamd worminfarct veroorzaken. Doordat ze in de bloedvaten van de darm gaan zitten, vermindert de doorbloeding van de darmen.
  • Larven van de paardenhorzel (Gasterophilus intestinalis), zijn de witte eitjes die op de beenharen van de paarden gekleefd zitten, komen door oplikken in de maag en groeien daar uit tot larven die aan de maagwand vasthangen. De paardenhorzel is goed gevoelig aan ivermectine.
  • Lintwormen (bv. Anaplocephala perfoliata), geven over het algemeen weinig problemen, maar kunnen bij hoge besmetting mogelijk verstopping
  • Aarsmade (Oxyuris equi), geeft bij paarden erg veel jeuk aan de anus en als gevolg daarvan de zogenaamde rattenstaart. De eitjes zijn soms te zien als kleverige slierten die aan de achterhand hangen.
  • Spoelworm (Parascaris equorum), spoelwormen komen vooral bij jonge paarden voor, oudere paarden (> 3 jaar) zijn er resistent tegen. Vooral bij veulens en jaarlingen is ontwormen met pyrantel (Nematel-P) nodig.
  • Veulenworm (Strongyloïdes westeri), wordt via de moedermelk overgedragen, is gevoelig aan ivermectine, om deze reden adviseren we een veulen al op 2 weken te ontwormen.

Zitten de wormen altijd in de mest?

Slechts enkele soorten van de parasieten bij het paard kunnen met het blote oog gezien worden in de mest: Larven van de paardenhorzel kunt u zien na een ontwormingskuur of in de lente. Ze zien er uit als dikke, bruine geribbelde maden. Larven van de kleine strongyliden kunnen in de lente gezien worden als kleine rode wormpjes van ongeveer 0,5 cm. Dikwijls zien we dan tegelijk diarree optreden. Zeer zelden kan men spoelwormen zien als witte wormen van enkele centimeters lang of stukken van lintworm die er uit zien als langwerpige, witte segmenten van ongeveer 0,5 cm. De andere parasieten zijn niet zichtbaar met het blote oog. Met een microscoop is het mogelijk om in de mest de eitjes of larven van de verschillende soorten te onderscheiden en te tellen. Dit onderzoek stelt ons in staat de soort en de graad van de besmetting vast te stellen. Op basis van deze resultaten kan dan in overleg met de dierenarts een aangepast ontwormingsschema opgesteld worden. Op de praktijk kunt u mestonderzoek laten doen waarbij we de EPG (aantal eieren per gram mest) bepalen. Op basis van de EPG schatten we in of een paard ontwormd moet worden. De ei-uitscheiding is niet het hele jaar gelijk. In koudere periodes worden de wormen minder actief en scheiden geen of minder eieren uit. In de praktijk betekent dit dat een mestonderzoek in de winter minder betrouwbaar is. Om een worminfectie aan te tonen kan dan ook bloedonderzoek gedaan worden.

Ontwormen

De stelregel van elke 2 maanden ontwormen is inmiddels achtergehaald. Van verschillende kanten wordt mestonderzoek gepromoot als basis voor het ontwormen van je paard. In plaats van de opvatting ‘regelmatig ontwormen’, moet de nieuwe strategie ‘regelmatig mestonderzoek’ gaan gelden. We proberen ook op onze praktijk een meer gefundeerd ontwormingsbeleid te stimuleren. Dit heeft vooral te maken met de resistentie die inmiddels is ontstaan tegen verschillende ontwormingsmiddelen. Voorlopig komt er ook geen nieuw ontwormingsmiddel meer bij. Wanneer we doorgaan met alle paarden elke 2 maanden blind ontwormen is er straks resistentie tegen alle beschikbare wormmiddelen en worden worminfecties bij paarden echt een probleem.

Wat is resistentie en hoe ontstaat het?

Resistentie wil zeggen dat de wormen minder of helemaal niet gevoelig zijn aan bepaalde wormmiddelen. Resistentie onstaat wanneer er te veel en onnodig ontwormd wordt. Een ontwormingskuur doodt nooit alle wormen. Na ontwormen van uw paard blijven er altijd een aantal wormen over. Deze wormen zijn blijven leven omdat deze wormen minder gevoelig zijn aan een ontwormingsmiddel. Ga je te veel en onnodig ontwormen dan blijven dus altijd alleen deze minder gevoelige (resistente) wormen over. Deze wormen gaan voortplanten en er ontstaat een hele nieuwe generatie van minder gevoelige wormen. Zo ontstaat steeds meer resistentie tegen de nu beschikbare wormenkuren. Hoe meer je ontwormt hoe sneller de resistentie ontstaat.

Hoe en wanneer ontwormen?

De basis van ontwormen is mestonderzoek. Maar daarnaast is het belangrijk naar de omstandigheden te kijken, om in te schatten hoe vaak mestonderzoek nodig is en om te zorgen dat je op termijn minder hoeft te ontwormen.

Ten eerste kijken we naar de manier van weiden, staat je paard met veel paarden van veel verschillende leeftijden op de wei waar geen mest verwijderd wordt dan moet je waarschijnlijk vaker ontwormen dan wanneer je een wei thuis hebt met enkele paarden waar je de mest van verwijdert. Een algemene grens ligt op 1 paard per hectare. Wanneer er minder dan één paard per hectare op een weide staat, dan kunnen we zeggen dat de besmetting van de weide zo klein is dat het paard waarschijnlijk niet ontwormd hoeft te worden. De besmettingsgraad van een weiland wordt daarnaast zeer sterk beïnvloed door de weersomstandigheden en het seizoen.

Verder kunnen we kijken naar de leeftijd van het paard. Jonge paarden (< 6 jaar) zijn gevoeliger voor wormen dan oudere paarden die al meer immuniteit hebben opgebouwd. Wanneer je bij een wat ouder paard een aantal keer mestonderzoek hebt laten doen en dit is iedere keer negatief, dan kun je er van uitgaan dat je niet meer hoeft te ontwormen, mits er niks in de samenstelling van de groep paarden verandert. Eén keer per jaar een controleonderzoek is dan voldoende.

Ten derde is het belangrijk goed te kijken welke wormenkuur je gebruikt. De werkzaamheid van de verschillende ontwormmiddelen is niet gelijk. Bij sommige producten zoals benzimidazoles heeft men aangetoond dat bepaalde wormsoorten meestal ongevoelig zijn (= resistent zijn) voor deze producten. Ook tegenover ivermectine is inmiddels resistentie aanwezig. Producten met moxidectine werken ook tegen de ingekapselde larven in het slijmvlies, producten met pyrantel werken tegen spoelwormen (jonge paarden) en producten met praziquantel zijn geschikt voor ontwormen tegen lintworm. Daarnaast werken ook niet alle producten even lang. Producten met ivermectine werken 2 maanden, producten met moxidectine werken 3 maanden. Bij het ontwormen moet men er steeds op letten dat het gekozen middel bij de juiste dieren wordt toegepast. Producten met moxidectine mogen bijvoorbeeld niet aan veulens onder de 4 maanden worden gegeven.

Het afwisselen van verschillende merken wormenkuren, bijvoorbeeld door het afwisselen van goedkope en dure wormenkuren, om resistentie tegen te gaan, is volkomen zinloos. Dit werd door sommige eigenaren nog wel eens toegepast toen de wormenkuren nog vrij verkrijgbaar waren. De meeste gangbare wormmiddelen hebben allemaal ivermectine of moxidectine als werkzame stof en werken dus allemaal precies gelijk. Daarbij is afwisselen met middelen met een andere werkzame stof dan ivermectine of moxidectine niet aan te raden, omdat dit de enige twee stoffen zijn die tegen de normaal voorkomende wormen werkzaam zijn. Andere werkzame stoffen moeten alleen op advies van ons gebruikt worden.

Tenslotte moeten alle behandelingen worden afgestemd op het gewicht van het dier. Om een idee te geven, vindt u hieronder het gemiddelde gewicht van het volwassen dier van de meest voorkomende rassen. Arabier 500 kg, Draver 600 kg, Fjord 500 kg, Haflinger 500 kg, Fries 500-700 kg, IJslander 400 kg, New Forest 450 kg, Shetlander 100-250 kg, Trekpaard 1200 kg, KWPN 500-700 kg.

Wat kunt u nog meer doen als eigenaar?

Verwijder éénmaal per week de mest van de wei. Verweid de paarden regelmatig naar een veilige, schone weide. Dit is een weide die 2x gemaaid en gehooid is of die niet eerder is beweid door paarden afgelopen 12 maanden. Een andere manier om je weiland schoner te laten worden is schapen te laten grazen achter de paarden aan, bijvoorbeeld in de winter. De schapen eten dan de paardenwormeieren van het weiland.